Diep van binnen

Het was nog vroeg, alle ramen en deuren waren gesloten en iedereen sliep. Of toch niet? Op een kleine kamer ergens in een huisje in Zweinsveld brandde een klein lichtje. Het flauwe schijnsel dat de lamp af gaf richtte de aandacht op een groezelig oud uitziend boek. Een wat mollig gedrongen vrouwtje in een pluizige roze ochtendjas had zich over het boek heen gebogen, in haar dikke vuist klemde ze een grote veer. Zo nu en dan doopte ze de veer in een klein potje met inkt, waarna ze zich weer richtte op het boek. Uren gingen voorbij waarin het padachtige vrouwtje steeds dezelfde handelingen herhaalde, zo nu en dan bladerde ze wat door het boek waarna ze haar veer opnieuw in de inktpot stak. Naarmate de tijd verstreek ging het lichtje steeds zwakker branden, toen het lichtje bijna uit was liet de vrouw haar hoofd op het boek zakken en viel in een diepe slaap.
Een dun straaltje licht probeerde door het stoffige raam naar binnen te dringen. Langzaam maar zeker kwam het dunne straaltje licht de kamer in, en al snel daarna werd het dunne straaltje groter. De kamer rondom het boek werd nu ook zichtbaar, op de muren zat een ordinair poesjesbehang, tenminste wat er nog zichtbaar van was. Overal waar je keek, aan elke muur, hingen krantenknipsels en foto’s, op de kleine stukjes muur die nog over waren verdrongen de poesjes zich om een plaatsje in het zicht te krijgen. Op de vloer lag een stoffig door motten aangevreten kleed met een ouderwets bloemetjesmotief. De stukjes stof die voor de ramen hingen moesten de gordijnen voorstellen, of wat er nog van over was. Naar binnen kijken was toch al niet mogelijk door de grote hoeveelheid stof die de ramen bedekte. Verder stonden er in de kamer een bed, een schrijftafel en een kast, alles zag er oud en vervallen uit, wanneer je het zag vroeg je jezelf direct af wanneer het uit elkaar zou vallen.
Nog altijd kroop de zon steeds verder naar binnen, en bereikte tenslotte het gezicht van het slapende vrouwtje. Het licht wekte haar, met een slaperige blik keek ze de kamer rond. De verschillende foto’s van eenzelfde jongen keken haar nors aan. ‘Goedemorgen Harry!’ zei ze met haar mierzoete stem. Ze legde haar veer aan de kant en sloot het boek. Op de kaft stond in puur gouden letters te lezen: Eigendom van Dorothea Omber. Een grote foto van haarzelf prijkte boven de gouden letters. Ze begon te grijzen bij de aanblik van haar eigen gezicht. ‘Goedemorgen Dorothea!’zei ze liefdevol tegen haar eigen portret. ‘We zullen eens zien hoe mooi we vandaag zijn.’ Uit haar ochtendjas haalde ze een kort houten stokje. Ze maakte daarmee een soepele beweging, waarna een kleine spiegel met een rand van kitscherige katjes verscheen. Zorgvuldig bekeek ze zichzelf in de spiegel. Plotseling slaakte ze een gil. Op haar wang was een grote inktstreep te zien. Verwoed veegde ze er met de mouw van haar ochtendjas overheen, waarna de vlek op haar wang alleen nog maar groter werd.
Toen ze uiteindelijk de vlek van haar wang had gekregen opende ze het boek opnieuw. De pagina’s ritselden gevaarlijk, en soms leek het wel alsof er één uit het boek scheurde. Ineens stopte ze met bladeren, ze was bij een pagina aangekomen die al helemaal vol met tekst stond. Een klein poesje kwam aanlopen en streelde langs haar benen, voorzichtig pakte ze het diertje op en zette het op haar schoot. Ze bekeek de pagina en begon de tekst te vertellen aan het katje. Langzaam maar zeker droomde ze weg bij de beelden die ze kreeg uit haar herinneringen bij het verhaal.

‘Weet je klein beestje, lang geleden echt al jaren terug, had ik een hoge functie op het ministerie van toverkunst. Ik vervulde mijn taak vol overgave, en toen ik een plaats aangeboden kreeg op Zweinstein Hoge School voor Hekserij en Hokus Pokus, nam ik deze direct aan. En dat baantje, wat in eerste instantie voor de meest beangstigende situatie van mijn leven zorgde, heeft ook voor het fijnste in mijn leven gezorgd. Ook al besefte ik dat pas jaren later. Zie je wel? Al die foto’s op de muur? Dat is Harry Potter, de jongen die bleef leven, hij was beroemd in mijn tijd, maar ik mocht hem niet zo. O nee, ik maakte hem het leven zuur, ik zou hem wel eens laten zien dat beroemdheid niet alles was. Ik stelde allemaal regeltjes op, maar hij bleek van geen ophouden te weten.’
De vrouw zweeg en zuchtte diep, het katje schrok hiervan en sprong van haar schoot af. In stilte staarde ze voor zich uit. Toen uiteindelijk het katje opnieuw bij haar op schoot kwam zitten vervolgde ze haar verhaal. ‘Jaren later besefte ik, dat het geen haat was waardoor ik werd gedreven om deze jongen dwars te zitten, het bleek iets heel anders te zijn, maar wat dat precies was kon ik op dat moment nog niet bedenken. Nachten lang lag ik te peinzen en kon ik de slaap niet vatten. Uiteindelijk was ik zo moe, dat ik de enige waarheid die nog over was niet kon ontkennen. Al die dingen die ik had gedaan deed ik niet uit haat, maar uit liefde. Ik hield van die jongen, ook al durfde ik het niet open te verkondigen. Ik besloot op onderzoek uit te gaan, en alles over deze bijzondere jongen te weten te komen.’ Ze sloot haar ogen en streelde zachtjes over de vacht van het katje.
‘Op deze pagina,’ze wees met haar mollige hand op de pagina in het boek, ‘staat een verhaal over een gebeurtenis. Iets dat ik heb meegemaakt samen met die jongen. Het is nu zo’n 30 jaar geleden.’Ze stopte met praten en deed het boek dicht. ‘Dat verhaal ga ik nu niet voorlezen.’Verbaasd sprong het katje van haar schoot en keek haar even met een bozige blik aan. Vervolgens liep het beestje naar de enige schone plaats die er nog te vinden was in het huis en nestelde zich daar. Met één oog nog half open gluurde ze naar Omber, om te zien of ze zich nog zou bedenken. Maar niets wat ze deed leek daarop. Ze schonk zichzelf een glas dampende thee in, en zette dat weer weg. Daarna liep ze naar een klein keukentje dat al net zo smerig was als de kamer waarin ze daarvoor had gezeten. In de keuken pakte ze een cakeje, het zag er niet heel erg fris uit. Door het zonlicht dat erop scheen leek het een groenige kleur te hebben. Ook het katje zag het cakeje en kreeg een misselijk gevoel, kort daarna kwam er een haarbal omhoog die ze kuchend en hoestend door de hele kamer spuugde. Omber keek niet op of om, en voorzichtig nam ze een hap uit het cakeje. Diep in gedachten verzonken kauwde ze op het stukje cake, om het daarna door te slikken. En precies op dat moment, dat ze het cakeje doorslikte, gebeurde er een heleboel dingen tegelijk. Er werd op de deur gebonsd, Omber verslikte zich in de cake en begon te hoesten en te kuchen, het katje sprong van schrik onder het bed waar ze al snel weer onder weg kwam omdat het daar zo smerig was, de deur werd met een groot geweld open gedaan. En toen was het stil.

In die paar seconden waarin er zoveel gebeurde schoten er een hele lading aan gedachten door haar hoofd, ze dacht terug aan haar leven, maar vooral aan één speciale gebeurtenis. Het was al vele jaren terug geweest, Harry had weer eens strafwerk op haar kamer en schreef zijn vaste regels op. Het leek hem helemaal niks te doen, waardoor ze besloot hem nog wat langer te laten zitten. De zon ging onder, en de jongen schreef maar door, zelf deed ze niks. Voor haar lag een hele stapel met verslagen van haar leerlingen over één of ander onzinnig onderwerp waarvan ze het nut niet echt inzag. Zonder dat de jongen het doorhad bestudeerde ze hem de hele tijd, het leek misschien dan wel alsof ze heel erg verdiept was in haar werk, maar feitelijk nam ze de jongen heel goed in zich op. Ze begon onderaan, hij had oude sportschoenen aan waarvan de zool nodig aan vervanging toe was, tenminste dat was haar idee. Er zaten nog net geen gaten in, maar de slijtplekken lieten zien dat dit niet lang meer zou duren. De zoom van zijn mantel was wat gekreukt maar zag er verder prima uit, waarschijnlijk had hij juist dat jaar een nieuwe mantel aangeschaft. Het teken van griffoendor stond op de borst van zijn gewaad geborduurd, de leeuw met het rood en goud. Blijkbaar was de jongen er trost op, met een opgeheven kin schreef hij zijn strafwerk. Aan het einde van de avond nam ze de vellen papier en de veer van hem over, en ze zag dat alles helemaal onder het bloed zat. Ze voegde de rollen perkament bij in een roze met bloemen overdekt kistje, waarin nog een heleboel meer rollen van datzelfde perkament zaten. Even werd het zwart, en er kwamen nieuwe beelden. Het was een les verweer tegen de zwarte kunsten, Harry was iets te laat in de les gekomen. Hij stond in de deuropening, zelf zat ze aan haar bureau en had voor haar een stapel met roze perkament liggen. Ze haalde haar ganzenveer tevoorschijn en schreef een briefje met de reden waarom hij te laat was en wanneer hij weer zou moeten nakomen. Van binnen werd ze er helemaal vrolijk van, weer een aantal avonden dat hij bij haar op de kamer zou zijn. Ze genoot direct al van het idee. Harry pakte wat ongeïnteresseerd het stukje perkament van haar aan en liep weer weg. Op het moment dat de deur achter hem dicht ging vormde zich een nieuwe herinnering.
Ze was op patrouille door de gangen van de school, haar nieuwste discreet was in werking gesteld. Geen leerling mocht zich nog zonder haar toestemming in de gangen van de school bevinden na zes uur in de avond. Van een betrouwbare bron had ze vernomen dat Harry en zijn vrienden ’s avonds en ’s nachts maar al te graag op pad gingen en zwierven door de gangen. Maar hoe ze ook zocht ze vond hem niet. Diep teleurgesteld ging ze uiteindelijk op de trap zitten, Foppe kwam langs scheren en zei iets over Potter, maar wat hij zei kon ze niet verstaan. En hoe ze hem ook vroeg en smeekte hij wilde het niet zeggen. Uiteindelijk ging hij vloekend en schreeuwend weer verder. Vermoeid stond ze op en ging ze terug naar haar kamer.

Terwijl ze opstond in haar herinnering stond ook haar lichaam op, voorzichtig en zonder ergens tegenaan te stoten kwam ze in haar bed. Het katje sprong naar haar toe en likte over haar wang. Heel langzaam kwam ze weer bij, toch hield ze haar ogen nog gesloten, zachtjes voelde ze langs haar wang waar het katje haar gelikt had. Het voelde vochtig aan, iets wat niet kon zijn gekomen door de lik van het katje. Heel voorzichtig opende ze haar ogen, het licht was nu fel omdat de deur open. Toen ze eindelijk aan het licht gewend was keek ze naar haar hand waarmee ze langs haar wang gegaan was. Hij was helemaal rood van het bloed, ze schrok van die aanblik. Ze wist dat ze overeind moest komen om zichzelf te verzorgen. Toen ze na lang ploeteren en veel duizeligheid overeind was gekomen keek ze naar de deur die open was. En wat ze zag maakte dat ze dacht dat ze nog altijd droomde. Ze wreef door haar ogen, daar stond hij, ze geloofde haar ogen niet. Langzaam liep hij naar haar toe en begon haar te verzorgen. Zachtjes legde hij haar weer neer op haar bed, ze voelde zijn grote zachte hand haar wang verzorgen. En met dat gevoel viel ze in slaap en droomde over die ene persoon en dat was, Harry Potter,...